Het is zondag 17 november precies 25 jaar geleden dat Nederland als eerste land in Europa werd aangesloten op NSFnet, een academisch computernetwerk dat later uitgroeide tot het wereldwijde Internet. Die bewuste middag, de klok sloeg half drie, ontving systeembeheerder Piet Beertema van het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) in Amsterdam het historische eerste e-mailtje die de aansluiting bevestigde. Speciaal voor Vevida kijkt Piet Beertema terug op die pioniersfase en becommentarieert hij de ontwikkeling die het Internet heeft doorgemaakt.

 

 

 

 

Een jubileum, gefeliciteerd! Gaat u komende zondag nog iets speciaals doen?

“Nee. We vonden het 25 jaar geleden al niet nodig om iets speciaals te doen, en dat wordt nu niet anders.”

 

Hoe voelt het als dé grondlegger van het Internet in Nederland te worden beschouwd?

“Hinderlijk: allerlei journalisten die me in de nek springen. 😉 Maar het is wel wat overdreven. Het hele gebeuren dat leidde tot die eerste open internetverbinding was het werk van een aantal mensen. Dat ik daar één van was en dat ik lange tijd een centrale rol heb gespeeld, valt niet te ontkennen. Dat verandert echter niets aan het gegeven dat het geen persoonlijke prestatie was, maar een ‘common effort’. Dat ik door die centrale rol – en vooral doordat ik de contacten met ‘de overkant van de Grote Plas’ onderhield, de mail kreeg die bevestigde dat die eerste open internetverbinding daadwerkelijk tot stand was gekomen – als ‘grondlegger van het Internet in Nederland’ word beschouwd, is vooral te danken aan de media die zoiets graag aan een persoon koppelen. Als ze mij als die persoon zien, dan zij het zo, maar dan speel ik die rol wel nadrukkelijk mede namens alle collega’s die hieraan hebben bijgedragen.”

 

Het internet bestond in 1988 nog niet. Maar hoe is de voorloper ervan ontstaan?

“Het zou te ver voeren om in dit korte bestek de hele voorgeschiedenis van ARPAnet te beschrijven (keywords: Rusland, Spoetnik, DARPA, Vint Cerf en TCP/IP). Maar op een gegeven moment (1986) werd het noodzakelijk gevonden om het ARPAnet (waarover zowel militair verkeer als DARPA-onderzoekverkeer ging) te splitsen in twee aparte netwerken: MILnet (militair) en NSFnet (National Science Foundation; wetenschappelijk). Daarmee werd dat minder ‘gevoelig’ en ontstond de mogelijkheid dat er ook van buiten de VS aansluitingen op zouden kunnen komen. Althans: in principe, want het zou nog de nodige tijd kosten voordat die ‘gevoeligheid’ voor ‘buitenstaanders’ voldoende zou zijn verminderd.”

 

Volgens de overlevering was Nederland het eerste Europese land dat op dat netwerk voor universiteiten en wetenschappers werd aangesloten? Waaraan dankten wij die eer?

“In 1981/1982 begon een aantal mensen met een op Unix gebaseerd internationaal netwerk over telefoonlijnen met ‘snelheden’ van 300 bps (later 1200bps). Dat netwerk (European Unix network, oftewel EUnet) groeide al snel. We hadden eigenlijk van meet af aan ook een verbinding met de VS en daarmee met een al groot, eveneens op Unix gebaseerd, netwerk (UUCP naar het daarover gebruikte communicatieprotocol). De enige services die op dat netwerk draaiden waren e-mail en usenet.

Om kosten te sparen – 1 minuut bellen met de VS kostte toen 4,50 gulden! – is het netwerk van meet af aan opgezet rond nationale knooppunten, met het CWI als centrale knooppunt. Daar waar ook die lijn naar de VS uitkwam. Op dat netwerk kon ‘iedereen’ aansluiten. Met ‘iedereen’ bedoel ik universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, overheidsinstellingen; kortom alles behalve particulieren. Dat laatste kwam door de veel te hoge kosten en omdat het administratief te lastig zou zijn. In de loop der jaren is dat eerste experimentele netwerk heel sterk gegroeid en een echt operationeel netwerk geworden. De telefoonlijn naar de VS moest al in 1986 vervangen worden door een vaste lijn (van 9600 bps). En daarna was wel elk jaar een verdere upgrade nodig.

In 1986 heb ik ook .nl geregistreerd. Dat was een oplossing voor een zuiver technisch probleem: het wereldwijde UUCP-netwerk was inmiddels gegroeid tot zo’n 22.000 computers, en omdat elke computer een op het hele netwerk unieke naam moest hebben, kwamen er steeds meer conflicten. Domeinadressering bood uitkomst. En dat niet alleen: het ging om Internet domeinadressering, want we hadden al visioenen dat we ‘ooit’ een aansluiting op ‘het Internet’ zouden krijgen, en met die adresseervorm zouden we dan naadloos kunnen overschakelen. Andere toen bestaande netwerken, zoals JANET en Bitnet/Earn bleven vasthouden aan hun eigen adressering en kwamen daardoor uiteindelijk op een achterstand te staan.

Vanuit deze achtergrond wordt het begrijpelijk dat de eerste open Internetverbinding in Nederland tot stand kwam, op het CWI, het centrale knooppunt van EUnet. Heel belangrijk is dat ‘open’, want zowel het ‘academische’ als het ‘bedrijfsverkeer’ van EUnet liep daarover. En van het CWI zelf uiteraard. Dat is een cruciaal punt, want het had weinig gescheeld of het Scandinavische research netwerk (NORDUnet) was ons voor geweest. Dat was echter een besloten netwerk, voor alleen de academische en researchwereld in Scandinavië.”

 

Kunt u het gevoel beschrijven dat jullie hadden toen dat eerste mailtje binnen kwam?

“Gevoel? We waren – en zijn nog steeds – akelige nuchterlingen. Ha ha ha. We wisten al dat ‘het eraan zat te komen’, dus toen ik die mail met de bevestiging kreeg was het: ‘Ah, mooi. Nu eens kijken of het ook echt werkt. Jawel, het werkt. Dan nu snel aan de slag om de configuratiebestanden aan te passen, zodat we er gelijk daadwerkelijk gebruik van kunnen maken’. En testen, testen en nog eens testen’. Proosten? Geen tijd voor, en drank op het werk mocht niet. ;-)”

 

Wat was daarna de grootste uitdaging?

“De knooppunten in de andere EUnet landen ‘ook op IP krijgen’. En natuurlijk binnen Nederland die instellingen waarmee er al een vaste lijn was. Dat laatste zou mij wel keihard in aanvaring brengen met het inmiddels ontstane SURFnet, maar uiteindelijk is dat allemaal goed afgelopen en de relaties zijn zelfs uitstekend geworden.”

 

Hebt u in uw stoutste dromen kunnen bevroeden dat het Internet zo’n grote rol in ons leven zou gaan spelen?

“Nooit. Althans niet als we kijken wat er nu allemaal over dat Internet draait en wat er nu allemaal mogelijk is. Koffiedik kijken is niet mijn sterkste kant, en wie had kunnen voorzien dat Tim Berners Lee in 1990 het briljante idee zou krijgen om ‘hypertext’ te  combineren met ‘Internet’, resulterend in het World Wide Web? Meer dan een forse uitbreiding van de primaire en (nog steeds!) essentiële service van toen: e-mail, was domweg niet te voorzien.”

 

Zijn er wel eens momenten waarop u denkt: ‘Oei, dat Internet was misschien toch niet zo’n goed idee?’

“Jazeker! Het Internet wordt vandaag de dag door overheden misbruikt als middel om iedere burger  te volgen, te besnuffelen, af te luisteren, en hem/haar al bij voorbaat als kwaadwillende en (dus) verdachte aan te merken. Waarbij de Nederlandse overheid een kwalijke ‘voortrekkersrol’ speelt, met ‘dank’ aan de opeenvolgende ministers van Justitie: Donner, Hirsch Ballin, Opstelten. In dat licht bezien, denk ik wel eens: ‘Was ik er maar nooit aan begonnen’. Om die gedachte dan snel weer te verwerpen, omdat het Internet tegenwoordig zo ontzettend veel nuttigs te bieden heeft. En dan doel ik nadrukkelijk ook op het www, dat volkomen ten onrechte vaak aangeduid wordt als ‘internet’. Ik bedoel daarmee: ‘het internet’ is een op IP gebaseerd transportnetwerk en het www is niet meer dan een van de vele services die over dat internet draaien. Als iemand zou zeggen ‘op de auto tussen Den Bosch en Utrecht staat 10 km file’, dan zou iedereen dat als wartaal beschouwen. Maar in de digitale wereld wordt gelijkstelling van ‘autoweg’ en ‘auto’ als normaal beschouwd…”

 

Zijn er destijds keuzes gemaakt die achteraf misschien niet zo handig bleken?

“Vast wel, maar ik kan ze zo gauw niet bedenken. Het tegendeel is makkelijker te bedenken: als wij, samen met anderen, ‘Internet’ niet zo zouden hebben gepusht, en de zaak aan overheden en PTT’s en de Europese Commissie zouden hebben overgelaten, dan hadden we naar mijn vaste overtuiging nu gezeten met een extreem duur, slecht toegankelijk, niet of nauwelijks (qua snelheid) schaalbaar OSI-netwerk. Overigens komt juist hier een stukje typisch Nederlandse mentaliteit goed tot uiting: ons nationale research netwerk SURFnet, waar ik in het begin zo’n aanvaring mee heb gehad, was gedwongen om mee te doen met die OSI-ongein. Maar net als wij hadden ze een heel praktische instelling, dus ‘zijdelings’ deden ze ook mee met Internet, omdat ook zij zagen dat ‘dat de toekomst had’. Hoe anders was dat in Engeland en Duitsland, die juist door die instelling op achterstand werden gezet.”

 

Toen u ‘het internet uitvond’ was het allemaal nog heel vertrouwd. Inmiddels is privacy een ‘hot item’, zijn er computercriminelen die onze identiteit stelen en worden we ‘afgetapt’ door overheden. Zelfs Neelie Kroes vindt Big Data the Next Big Thing en zegt dat we als Europa niet kunnen achterblijven bij de NSA. Hoe kijkt u tegen die ontwikkeling aan? Wordt uw creatie, uw kindje, niet te veel misbruikt? Of zegt u: Goed plan!

“Ik ben mordicus tegen zelfs de suggestie dat ik ‘internet heb uitgevonden’ en tegen termen als ‘mijn creatie’. Mijn collega’s en ik hebben het Internet ‘verlengd’ naar Nederland en Europa.

En mevrouw Kroes? Daar geef ik geen rooie cent voor. Ze heeft grote woorden over privacy, maar als puntje bij paaltje komt is het: zolang die maar niet ten koste gaat van de heilige commercie. En laten we wel wezen: Nederland roept wel het tegendeel, maar onze overheid snuffelt zich allang wezenloos en slaat alles op. En dan het liefst nog veel langer dan Europese regelgeving toestaat en zonder enige tekst en uitleg over de effectiviteit van al dat gesnuffel en die bewaarzucht.”

 

Wat doet u zelf om uw privacy te waarborgen?

“Zolang ik iets niet dringend nodig heb voor mijzelf of mijn vrijwilligerswerk, mijd ik alles als de pest waar ik mij ‘gratis’ moet registreren. Tracking cookies: blokkeren. En geen zogenaamde ‘sociale’ netwerken, want die zijn alleen maar uit op je privégegevens (en via-via op je centen). En aan nep-vrienden heb je niets als het er echt op aankomt. Verder zoek ik met anonieme zoekfront-ends als ixquick en duckduckgo.”

 

Speelt internet een grote rol in uw leven?

“Internet speelt nog steeds een essentiële rol in mijn leven. Het is een geweldig hulpmiddel, met e-mail en www als echt onmisbare services. Dat is vooral het geval bij mijn vrijwilligerswerk, waarvoor ik veel historisch onderzoek doe en waarbij op het www ontzettend veel te vinden is.”

 

We zien de meest kleurrijke websites, maar uw eigen site godfatherof.nl ziet er heel basic uit. Is dat een bewuste keuze?

“Dat is inderdaad een heel bewuste keuze. En dat geldt ook voor andere websites die ik heb gemaakt. Mij gaat het om de inhoud, de verpakking boeit me nauwelijks. Zolang het maar geen oubollig Times Roman is. 😉 Persoonlijk heb ik een bloedhekel aan die ‘twee-regels-en-dan-doorklikkensites’ die nu zo in de mode zijn, maar waar je nauwelijks echte informatie vindt. Verder hebben basic sites het grote voordeel dat ze met elke browser werken, ook de wat oudere. En die slingeren er nog genoeg rond.”

 

U bent op 22 oktober 70 jaar geworden. Waar houdt u zich tegenwoordig mee bezig?

“Ik ben inmiddels alweer 11 jaar ‘informaticus op stoom’. Na mijn (pre)pensionering ben ik als vrijwilliger bij het voormalige stoomgemaal De Cruquius gaan werken. Nu ben ik alweer 4 jaar conservator bij stoomgemaal Halfweg. Beide mateloos boeiend, perfect voor historisch onderzoek, en ‘Halfweg’ is ook nog eens uniek omdat het nog echt onder stoom – en handmatig met kolen gestookt! – kan draaien. Dus wat Internet mij heeft gebracht? Een prachtig, werkend stoomgemaal en een hoop werk. 🙂 Ik mag hier vast geen reclame maken, maar ik doe het toch maar even, op gevaar af dat het eruit wordt geknipt: www.stoomgemaalhalfweg.nl Very basic…”

 

Kunnen we binnenkort nog iets moois van u verwachten, qua innovatie?

“Nee zeg! Ik heb het nu veel te druk met nuttige dingen. ;-)”